Op 28 en 29 november was in Monaco het jaarlijkse Medea+-forum, waar de belanghebbenden rondom het financieringsprogramma hun resultaten presenteerden en de toekomst bespraken. De belangrijkste boodschap: Medea+ is een succesvol programma en er moet een opvolger komen.
Medea+ startte in 2000 als opvolger van het Medea-programma, dat op zijn beurt uit het Jessi-programma voortkwam. In de jaren tachtig van de vorige eeuw zag Europa zijn achterstand op het gebied van micro-elektronica ten opzichte van Japan en de VS groeien. De Eureka-organisatie die pan-Europese R&D-projecten financiert en coördineert, besloot het Jessi-programma op te zetten om deze kloof te dichten. Dit liep van 1989 tot 1996. De opvolger Medea duurde van 1997 tot 2000 en verlegde de focus meer naar vooruitstrevend onderzoek. Medea+ startte in 2001. Vanuit de industrie nemen hier onder meer Alcatel, ASMI, ASML, EADS, Infineon, NXP en STMicroelectronics aan mee. Het programma loopt nog tot 2008.
Medea+ richt zich met name op vernieuwende technologieën en minder op toepassingen. Onderzoek en ontwikkeling van lithografie trekt de kar met bijna 4500 manjaar voor de gehele duur van het programma verdeeld over elf projecten, gevolgd door volgende generatie CMos-processen, en EDA voor SOC-ontwerp en design for manufacturing. In totaal doen 22 landen mee, waarvan Frankrijk, Nederland, Duitsland, België en Italië het leeuwendeel voor hun rekening nemen. Van de in totaal 20,2 duizend verwachte manjaar aan het eind van het programma gaat er ongeveer 3900 naar Nederland waarmee we op de tweede plaats komen. België staat met 1590 manjaar samen met Italië op de vierde plaats.
