Nederland is een kenniseconomie. Al jaren wordt dat gepredikt. Maar wat betekent dat eigenlijk? Het is een abstract begrip dat niet goed gedefinieerd is en ook moeilijk meetbaar. Het betekent zo ongeveer dat veel van de economische waarde die wij creëren, gebaseerd is op kennis. Maar wat wordt dan bedoeld met kennis?
Zo’n dertig procent van de bevolking in Nederland is hoogopgeleid en onder jongeren stijgt dat al ras naar de helft. Veel in onze maatschappij is erop gericht zo veel mogelijk hoogopgeleiden te genereren, als een doel op zich: een basisschool die bij de eindtoets onder het landelijk gemiddelde scoort, wordt na een paar jaar een ‘zwakke school’. Mbo’ers moeten kunnen stapelen, zodat ze op het hbo of nog verder kunnen komen. De associate degree maakt het voor hen nu aantrekkelijker om toch ook een hbo-diploma te halen. Het moet steeds hoger.
Ik denk dat we hier een denkfout maken. Een kenniseconomie genereert alleen daadwerkelijk economische meerwaarde wanneer je slimme, complexe producten kunt maken (die anderen niet kunnen maken) en die kunt exporteren. De maakindustrie genereert zo’n zeventig procent van de Nederlandse exportmeerwaarde. Toch werkt daar nog niet twintig procent van onze beroepsbevolking.