Onlangs mocht ik voorzittertje spelen bij een bijeenkomst in Detroit over benchmarks in de automobielindustrie en strategieën om de toepassing van multicoretechnologie in automotive te bevorderen. Wat deze dag zo interessant maakte, was dat General Motors de organisatie verzorgde en dat er 64 technici aanwezig waren van de belangrijkste spelers in de markt. Zo waren er afgevaardigden van automakers als Chrysler, Ford en GM zelf, van chipfabrikanten als Arm, Freescale, Fujitsu, Hitachi, Infineon, Mips, NEC, Renesas, STMicroelectronics, Texas Instruments, Toshiba en Xilinx, van softwareontwikkelaars als Green Hills, The Mathworks, QNX en Wind River, en van toeleveranciers als Bosch, Continental, Delphi en Siemens VDO.
De ochtendsessie focuste op benchmarking in automotive. Primaire doel: het begrijpen van de verschillen en overeenkomsten tussen de afzonderlijke toepassingsgebieden in de sector en het creëren van eensgezindheid over de te volgen route voor het bouwen van benchmarks. ‘s Middags spraken we over multicore. Belangrijkste oogmerk was hier het definiëren en identificeren van de sleutelgebieden die het meest profiteren van standaardisatie in beschikbaarheid, communicatie, scheduling, taak- en resourcemanagement en veiligheid.
Uit de benchmarkdiscussie kwam naar voren dat aandrijving de grootste uitdaging vormt voor een benchmarkstandaard. Door de IP-issues en de competitieve sfeer rond de engine control unit (ECU) is het niet eenvoudig om echte code te krijgen voor het maken van een benchmark. Verder zijn de gebruikte tools vaak hardwarespecifiek, wat het minder aantrekkelijk maakt om over te stappen naar platforms van andere leveranciers. Dit geldt in het bijzonder voor de DSP-code van de ECU. Menig chipbakker heeft bijvoorbeeld eigen instructies voor de omgang met botssensoren. Nog moeilijker is een objectieve prestatievergelijking van ECU-randapparatuur. Desondanks hebben automotive-OEM‘s behoefte aan uitgebreidere benchmarks om het werk van hun toeleveranciers te controleren.