Security-researchers van de Universiteit van Washington zijn er als eerste in geslaagd om een computer via dna te hacken. Dat was wel een computer die specifiek bedoeld is om dna te analyseren; ze konden een bug in de software met een specifieke input triggeren. De demonstratie onderstreept dan ook vooral dat de dna-analysewereld zich nog te weinig zorgen maakt om security. En bovendien dat programmeurs zich nooit veilig kunnen wanen wat betreft het uitbuiten van hun bugs, ook als ze zelf niet direct zien hoe dat tot beveiligingsproblemen kan leiden. Het werk wordt volgende week gepresenteerd op de Usenix Security-conferentie in Vancouver.
In dna-moleculen is informatie gecodeerd aan de hand van de volgorde van de bouwstenen. Het bepalen van die volgorde is niet eenvoudig, maar medisch wel erg relevant. Daarom wordt er de afgelopen decennia hard gewerkt aan het terugbrengen van de kosten hiervan. Automatisering en rekenkracht spelen hierin een belangrijke rol. En dus biedt dat proces een hoop aanknopingspunten om computersystemen te hacken, constateren de onderzoekers.
Voor hun demonstratie richtten ze zich op de stap die volgt nadat de machines hun werk hebben gedaan en hun ruwe output verder verwerkt moet worden. Daarvoor wordt een pijplijn doorlopen met vele verschillende tools. De onderzoekers brachten een kwetsbaarheid aan in een van die programma’s: een buffer met vastgestelde grootte.
