De huidige IT-industrie heeft in 2009 rake klappen te verwerken gekregen. Het is waar dat deze industrie een sterk cyclisch karakter kent. Toch was de hevigheid vorig jaar ongekend. Vaste medewerkers verloren hun baan, maar het waren toch vooral de inhuurkrachten die het moesten ontgelden. Voor dit jaar zijn de detacheerders voorzichtig positief gestemd: het aantal aanvragen neemt langzaam toe. Ludieke wervingsacties zullen dan ook niet lang meer op zich laten wachten. Maar hebben we ook wat geleerd van deze crisis? Of zijn we net zo argeloos als de financiële sector, waar per saldo niets veranderd lijkt?
Als afgestudeerde IT‘er of instromer heb je in de Nederlandse IT-industrie twee keuzes. Enerzijds kun je gaan werken voor een bedrijf dat zelf software ontwikkelt. Dit zijn meestal administratieve organisaties (financiële instellingen en overheden) of industriële (embedded producten). Anderzijds kun je jezelf laten verhuren via een detacheringsbedrijf, waarbij een leaseauto tot de lokkertjes hoort. Deze detacheringsmarkt toont ook weer een duidelijke tweedeling. Vooral de wat jongere IT‘ers worden aangeboden als programmeurs en testers, de ’handjes‘. Aan de zijlijn zitten de al wat oudere consultants met hogere salarissen in een strak pak. Zij geven advies op alle mogelijke terreinen zonder hun handen vuil te maken.
Consultants hebben een mening over de laatste technologieën, de nieuwste methodes en technieken. Zij hebben echter zelden echte kennis over de applicaties of producten van hun opdrachtgevers. Hun toegevoegde waarde in uiteindelijke applicaties is dan ook beperkt. De ingehuurde programmeurs en testers houden zich bezig met wat de opdrachtgever heeft gespecificeerd en ontworpen. Zij hebben dus wel toegevoegde waarde. Hun inzet in de cruciale beginfase is echter praktisch nul. Als reden voeren klanten aan dat specificatie en ontwerp enerzijds applicatiekennis vereisen en anderzijds dat ze zulke belangrijke rollen niet aan externen geven.