Universiteiten waarderen wetenschappers die zich met fundamenteel onderzoek bezighouden meer dan hun collega’s die veel samenwerken met de industrie. Hoge citatiescores (h-index) en prijzen zijn immers wat de instellingen aan een hoge ranking helpt, en fundamentele onderzoekers kunnen die makkelijker binnenhalen. De toptijdschriften voor fundamenteel onderzoek, vooral Nature en Science, weten grotere impactfactors te realiseren en er worden in deze arena meer prijzen vergeven. Toponderzoekers in de fundamentele wetenschappen hebben dan ook ongeveer een twee keer hogere h-index dan topingenieurs. De laatsten mogen hun resultaten vaak niet eens publiceren vanwege vertrouwelijkheid.
Zelfs bij de technische universiteiten in Eindhoven, Delft en Twente is deze voorkeur terug te vinden. De primaire doelstelling van de leiding is om de eerste geldstroom te vergroten. Pas in tweede instantie gaat het om het verwerven van middelen uit de industrie. De kritiek dat wetenschap niet of minder bijdraagt aan de economie wordt van de hand gewezen met het argument dat wetenschappelijk onderzoek de basis is voor economisch succes van morgen.
Inderdaad is het een aantrekkelijk idee dat wetenschappers op universitaire kennis kunnen teruggrijpen als ze beslissers zijn geworden in de industrie. Helaas blijven maar enkele onderzoekers zich na de overstap bezighouden met hetzelfde onderwerp. Of ze stappen überhaupt niet over naar de industrie.
