Netwerken verdelen de beschikbare bandbreedte netjes via processor sharing. Maar spraak- en videoverbindingen kunnen gaan haperen bij een eerlijke verdeling en moderne protocollen geven dit soort data een hoge prioriteit. De theorie rond discriminerende modellen staat echter nog in de kinderschoenen. UT-promovendus Sing Kwong Cheung ontwikkelde methoden om hier meer inzicht in te krijgen.
’Als je bij het postkantoor in de rij staat voor een postzegeltje, maar degene voor je moet tienduizend pakketten versturen, dan sta je een flinke tijd te wachten‘, zo trekt UT-promovendus Sing Kwong Cheung de analogie met telecommunicatienetwerken. Omdat deze situatie natuurlijk niet gewenst is, verdeelt netwerkapparatuur de beschikbare bandbreedte eerlijk over de gebruikers via het processor sharing-mechanisme. Daarmee is de verblijftijd in de wachtrij afhankelijk van de hoeveelheid data die een gebruiker moet versturen en van de beschikbare bandbreedte, maar gebruikers hoeven niet op elkaar te wachten.
Deze zogenaamde egalitarian processor sharing-modellen (EPS) zijn sinds de jaren zestig al uitgebreid onderzocht en in kaart gebracht. De laatste jaren komt er echter steeds vaker de roep om de eerlijke verdeling los te laten en over te stappen op discriminatory processor sharing (DPS). ’Je kunt je voorstellen dat verschillende typen verkeer een verschillende prioriteit hebben‘, zegt Cheung. ’Spraak is bijvoorbeeld delaysensitief, maar vraagt om een lage bandbreedte. Video heeft juist een hoge bandbreedte nodig en een sms‘je mag best wat later aankomen.‘ Daarom is het de trend van de laatste jaren om datastromen voorrang te geven als vertraging onacceptabel is. De 802.11e-WLan-standaard staat dit principe van quality of service bijvoorbeeld toe.