De systemen die we de komende jaren gaan bouwen, zijn ordes groter en complexer dan we gewend zijn. Softwareontwikkelaars zijn ondertussen niet significant slimmer geworden. Alle hoop is gevestigd op het gezonde verstand van softwarearchitecten om de wereld een beetje overzichtelijk te houden. Hun vakgebied moet zich echter wel aanpassen aan de nieuwe realiteit; op dit moment is het nog niet goed genoeg, vindt Wim Hendriksen.
Als je aan een softwarearchitect vraagt om de architectuur van zijn systeem in een uurtje uit te leggen, dan krijgt hij dat niet voor elkaar. Waar ze in de bouwkunde een heel eind komen met kreten als ‘jugendstil’, ‘jaren dertig’, ‘postmodern’ of ‘Bossche School’, heb je in de software geen enkele classificatie. Waar iedereen het verschil weet tussen rock-’n-roll, blues en country, kan de softwarearchitect niet eens vertellen of een systeem een goede architectuur heeft of een slechte, en waarom dat zo is.
Er zijn geen woorden en er is geen grammatica om een softwarearchitectuur op abstract niveau te beschrijven. De getoonde plaatjes zijn meestal zo ongelofelijk complex met al die pijlen, blokken en kleuren dat geen mens er nog iets van begrijpt. Ook de plaatjesmaker zelf niet. Misschien kunnen we iets leren van andere vakgebieden zoals de bouwkunde en dat terugvertalen naar softwarearchitectuur.
