A.F. vraagt:
Ik werk als software-ingenieur bij een groot technologieconcern. Het gaat helaas niet zo goed met het bedrijf. De crisis mag dan langzamerhand voorbij zijn, het loopt bij ons zeker nog geen storm met nieuwe projecten. In al zijn wijsheid heeft het management daarom weer eens wat uit de hoge hoed getoverd. Medewerkers waarvan de inschatting is dat ze die tijdelijk kunnen missen, komen in een uitleenprogramma terecht. Collegiale inhuur noemen ze het met een mooie pr-term, een noviteit als je het mij vraagt.
Ook ik ben in deze categorie terechtgekomen. Het komt erop neer dat relaties en andere bedrijven deze mensen kunnen inhuren voor een of ander project. Dat klinkt misschien nog niet eens zo gek omdat ik zo ook ergens anders in de keuken kan kijken, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ik op een zijspoor wordt gezet. Moet ik al op zoek naar een andere baan? Of bent u vaker dergelijke vreemde constructies tegengekomen?
De headhunter antwoordt:
Anders dan je denkt is deze constructie zeker niet nieuw. Uit de oude doos gaat mij een beetje ver, maar het is zeker een beproefd recept. Wanneer een werkgever met een verminderde orderportefeuille kampt, staat hij voor de keuze: ofwel hij doet niets waardoor de kosten doorlopen en de inkomsten afnemen, of hij neemt maatregelen om de kosten te beperken. Dit houdt over het algemeen in dat er een reductie van het personeelsbestand wordt doorgevoerd. Deze maatregel is echter impopulair en je werkgever zal alles doen om dit te voorkomen. De redenen liggen voor de hand: het levert negatieve publiciteit op, reorganisaties kosten veel geld en binnen R&D-afdelingen leidt het vaak tot een vervelende braindrain. Je raakt immers niet alleen mensen kwijt die je niet meer nodig hebt, ook diegenen die onmisbaar zijn voor het bedrijf blijken vaak in verhoogde mate mobiel te worden.
Door het instrument ’collegiale inhuur‘ te gebruiken, kan het bedrijf zich een hoop ellende besparen. Ook voor de betrokken werknemers kan dit aantrekkelijk zijn, zoals je zelf al constateert. Je krijgt immers voor de duur van een project de kans om in de keuken van een andere organisatie rond te neuzen, de sfeer te proeven en iets bij te leren, terwijl je dienstverband gewoon doorloopt.
Enkele jaren geleden zou dit instrument geen enkele zin hebben gehad omdat de arbeidsmarkt er niet naar was. Op dit moment staan de zaken er echter heel anders voor en hebben bedrijven weer moeite om gekwalificeerd technisch personeel te vinden. Ook voor oudere werknemers is collegiale inhuur aantrekkelijk. Voor hen is het vaak moeilijker om van baan te veranderen omdat bedrijven hen vaak te duur en inflexibel vinden. Voor inhuur op projectbasis spelen deze argumenten minder een rol. Zij kunnen in deze projecten laten zien dat dit oordeel ongegrond is en krijgen de kans een mooi visitekaartje van zichzelf af te geven.
Voor je werkgever is dit ook een positief punt. Mocht het namelijk op de langere termijn niet wenselijk zijn het dienstverband te handhaven, bijvoorbeeld door het structurele karakter van de terugval in de orderportefeuille, dan heeft het een concrete bijdrage geleverd aan het beginsel van ’van werk naar werk‘. En wanneer er in de toekomst toch nieuwe opdrachten komen, is het altijd te prefereren dat je in de tussentijd niet hebt stilgezeten en er iets bij hebt geleerd.
