Het probleem dat aan een DNA-computer werd gevoerd, was triviaal. De meeste mensen hebben aan een minuut genoeg om de oplossing te vinden, een pc doet het veel sneller. Ook de moleculaire rekenmachine heeft minder dan een seconde nodig, maar daarna kost het nog veel tijd en moeite om de uitkomst te scheiden van alle niet-oplossingen die onvermijdelijk ook worden gegenereerd. En dat bleek niet eens de enige tekortkoming.
DNA gebruiken om mee te rekenen, op papier heeft het beslist potentie. Als informatiedrager heeft het biopolymeer na miljoenen jaren de blauwdruk van het leven bewaard te hebben, zijn sporen wel verdiend. Het bevat een theoretische informatiedichtheid van ongeveer honderd terabit per vierkante inch, terwijl een dvd niet verder komt dan 2,2 gigabit per vierkante inch, een moderne harddisk het moet doen met 250 gigabit per vierkante inch en de meest geavanceerde opslagsystemen in ontwikkeling worstelen om de grens van een terabit per vierkante inch te doorbreken.
Behalve de opslagcapaciteit mag ook het potentieel om informatie te verwerken er wezen. Met DNA kunnen op ongekende schaal parallelle berekeningen worden uitgevoerd en eindelijk bepaalde typen problemen computationeel kunnen worden opgepakt – problemen waar zelfs de snelste supercomputers nu niet aan hoeven te beginnen. Wat dat betreft zou een DNA-computer een al evenzeer niet bestaande kwantumcomputer naar de kroon steken, terwijl hij, hoe kan het ook anders met een natuurproduct, toch buitengewoon ’groen‘ zou zijn. Een DNA-computer opereert dicht bij het theoretische maximum van 34 x 1019 (irreversibele) operaties per joule. Beter kan niet.

