Mobiele netwerken spelen een steeds belangrijkere rol in de maatschappij. Sinds begin dit jaar is in Nederland de laatste versie, 4G, beschikbaar. In dit artikel zoomen Martien Huijsmans en Barbara Pareglio in op enkele van de nieuwe technische mogelijkheden.
In tegenstelling tot zijn voorganger 3G is een 4G-netwerk volledig gebaseerd op het Internet Protocol (IP). Direct merkbaar voor de gebruiker is de hogere bandbreedte die dat met zich meebrengt. Daarnaast is de end-to-end latency een stuk lager. Ook voor de architectuur van mobiele applicaties verandert er met het all-IP 4G-netwerk het een en ander.
De drie hoofdonderdelen in de 4G-informatiestroom zijn het mobiele apparaat, met de applicatie, het mobiele netwerk en de server in het internet (Figuur 1). Bij inschakeling zet het device een IP Connectivity Access Network Session (IP-Can Session) op. Dit is een logische verbinding met een pakketdatanetwerk, in dit geval het internet. Daarbij krijgt het apparaat een IP-adres toegekend en een Enhanced Packet System Bearer (EPS-Bearer) voor het transport van de IP-datapakketten binnen een IP-connectie. Wanneer de ingang in het netwerk wijzigt doordat het device zich verplaatst, verandert ook de bearer (Figuur 2).
