Drie edities geleden pleitte ik op deze plaats tegen een 450-millimeterfab op Europese bodem, althans als deze met geld van de Europese Unie zou moeten worden opgezet (zie Bits&Chips 5, 2011). Met pijn in het hart, wil ik er nu aan toevoegen, maar soms doe je er nu eenmaal beter aan je sentimenten te beteugelen. De romanticus in mij wenst de voorstanders succes, de realist ziet het geld nog altijd liever beter besteed.
Over wat de betere koers voor Europa dan wel precies inhoudt, wil ik het deze keer hebben, maar eerst nog een kanttekening ten aanzien van 450-millimetertechnologie. Dat die fab er niet hoeft te komen, betekent niet dat de EU er geen geld in zou moeten steken. Integendeel: de productietechnologiesector is in Europa sterk vertegenwoordigd en verdiend het om ’meer dan alleen een beetje mee te doen‘ in programma‘s als Catrene en Eniac, zoals een vertegenwoordiger van een Europese machinebouwer het wel eens onder vier ogen verwoordde. Deze industrietak steunen kan zonder veel poespas: laat Imec de 450-millimeterkar trekken, samen met gekend bondgenoot ASML. Dat zijn tenslotte de Europese vlaggenschepen.
Maar goed, die toekomst zonder Europese megachipfabrieken dus. Daags na publicatie van genoemde column kreeg ik dankzij een tweetal gesprekken en een conferentie beter op mijn netvlies hoe die eruit zou moeten zien. Het eerste gesprek was met het Nijmeegse Sencio, dat gespecialiseerde chipverpakkingen ontwerpt én produceert (zie Bits&Chips 7, 2011), het tweede met Xensor uit Delft, dat een prijswinnende sensorchip had ontworpen én – u raadt het al – zelf had geproduceerd (ook te lezen in Bits&Chips 7, 2011).
