Onderzoekers van Penn State University hebben met succes nanodraden gepositioneerd op vooraf bepaalde posities op een chip. Een coating van DNA blijft daarbij intact, zodat het met de nieuwe techniek mogelijk is om biosensoren te maken. Ook ’post-Moore‘-elektronica zou ervan kunnen profiteren.
Theresa Mayer en Christine Keating dirigeerden rhodium nanodraden, acht micrometer lang met een diameter van 0,7 micrometer, naar van tevoren aangebrachte microgleuven in een chip. Dat ging ’verrassend gemakkelijk‘, aldus Keating. De nanodraden zoeken de plek op met het grootste elektrische veld, en dat zijn de pilvormige groeven waarlangs elektroden zijn aangebracht. De onderzoekers kunnen kiezen welke nanocilinders zij aan welke elektrode-groefcombinaties ’voeren‘ door selectief elektrodes aan te zetten wanneer zij een batch nanodraden op de chip aanbrengen door deze in een suspensie daarvan te dopen.
De Amerikanen gebruikten telkens dezelfde draden, maar met verschillende DNA-coating. Zij ordenden buisjes met dezelfde coating in rijen. Dat is gebruikelijk in medische tests om valse positieven te voorkomen. De DNA-coating werd complementair gekozen aan stukjes DNA die typerend zijn voor de ziektes hepatitis B en C en hiv. Uiteindelijk is het de bedoeling de binding van complementaire DNA-stukjes elektrisch te detecteren, maar de onderzoekers lieten de daarvoor noodzakelijke transistor nog achterwege en gebruikten een fluorescerend verfje om een ’diagnose te stellen‘. Wel lieten ze zien dat het mogelijk is de draadjes elektrisch aan te sluiten.

