Een van de zegeningen van virtualisatie is dat het beveiligingsniveau van een systeem makkelijk is op te schroeven: door applicaties die niets met elkaar te maken hebben elk in een eigen partitie te draaien, kan een fout in de een niet tot een zwakte in de ander leiden. De hypervisor moet dan wel voor een goede scheiding zorgen. In hoeverre dit opgaat, is sterk afhankelijk van de hypervisorarchitectuur. Ook kan de systeemontwerper op certificering van de software letten. Peter Hoogenboom van Green Hills Software doet uit de doeken wat hierbij komt kijken.
Een belangrijke reden voor virtualisatie, met name in embedded technologie, is om software op een systeem veilig gescheiden van elkaar te laten opereren. Programma‘s die je niet vertrouwt, laat je eerst in hun eigen ’zandbak‘ spelen. Een webbrowser bijvoorbeeld wordt in zijn eigen zandbak aangesloten op het internet, waardoor aanvallen op de browser of geïnstalleerde malware geen schade kunnen aanrichten buiten de zandbak. In theorie is in de virtuele zandbak alleen het gastbesturingssysteem vatbaar voor aanvallen van buitenaf. Een hacker kan dus nooit bij de rest van het systeem komen.
Daar zijn echter de nodige kanttekeningen bij te plaatsen. De architectuur van de hypervisor bepaalt grotendeels of deze volledige partitionering daadwerkelijk bereikt kan worden. In het aanbod van opensource als commerciële hypervisors zijn grote architectuurverschillen te vinden, maar grofweg vallen ze uiteen in drie categorieën.

