Op het eerste gezicht maakt het kabinet-Rutte een aantal verdedigbare keuzes in zijn innovatiebeleid. Wie ziet hoeveel ambtenaren er nodig zijn om de lappendeken van programma‘s en regelingen te bestieren, kan begrip opbrengen voor de wens om deze bureaucratie een beetje te stroomlijnen. Met een verlaging van de vennootschapsbelasting en een verruiming van de WBSO kunnen innovatieve ondernemers best zelf bepalen hoe zij driehonderd miljoen euro uit de staatsruif willen omzetten in meer concurrerend vermogen. Voor specifiek beleid blijft echter ruimte, al wordt dat beperkt tot sectoren waar Nederland al in uitblinkt, de zogenaamde sleutelgebieden. En ook de intentie om EZ als krachtig regisseur van alles wat innovatie aangaat in ere te herstellen, is een prijzenswaardige ambitie, zeker met vier jaar een politiek zwaargewicht aan het roer.
Licht echter het deksel van het regeerakkoord en er gaat een beerput open. Structureel wordt er 550 miljoen euro per jaar afgeroomd van een budget van 1,8 miljard. De financiering van complete innovatieprogramma‘s en onderzoeksinstituten, waaronder het Esi, Holst Centre, HTas en Point-One, hangt aan een zijden draadje. De middelen van het Fonds Economische Structuurversterking gaan voortaan uitsluitend naar asfalt en aflossing van de staatsschuld. En dan nog maar te zwijgen over de onderwijsplannen, die de keuze voor een technische studie bepaald niet aanmoedigen.
Oei, dacht Bernard Wientjes, zo had ik het nu ook weer niet bedoeld. De VNO-NCW-voorzitter was er als de kippen bij om zich achter de achttien miljard euro bezuinigingen te scharen, maar een maand of wat later bleek hij opeens belastingverlaging te willen uitruilen tegen kennissubsidie. Wientjes ziet ook wel dat er in het regeerakkoord geen enkele financiële onderbouwing te vinden is om subsidieafhankelijke initiatieven in de lucht te houden – hoezo, specifiek beleid?
