Een transistor die zichzelf in elkaar zet uit losse componenten: het is de droom van iedere chipmaker. Caltech-onderzoekers toonden aan dat het mogelijk is, en DNA speelt in hun werk een hoofdrol.
In de jaren zestig zagen drie organisch chemici kans hun vakgebied voor altijd te veranderen. Traditioneel beschouwden scheikundigen atomen als de bouwstenen voor de entiteiten waarin ze geïnteresseerd zijn: moleculen. Bestudering van biologische structuren, zoals de dubbele helix van DNA een decennium eerder, had echter laten zien dat moleculen zelf ook bouwstenen kunnen zijn. De krachten tussen complete moleculen zijn weliswaar een stuk zwakker dan die atomen bij elkaar houden, maar toch sterk genoeg om complexen te construeren die tientallen nanometers groot kunnen worden. Voor de ontdekking van dit principe, de grondslag van de supramoleculaire chemie, deelden Donald Cram, Jean-Marie Lehn en Charles Pedersen in 1987 de Nobelprijs voor de Scheikunde.
