De komst van alomtegenwoordige computers en communicatiefaciliteiten zal grote hoeveelheden genetwerkte embedded systemen voortbrengen. Voordat we echter goed werkende en economisch haalbare oplossingen kunnen ontwerpen, hebben we nog heel wat werk te verzetten. Ignas Niemegeers van de TU Delft legt uit wat embedded netwerken zo bijzonder maakt, aan welke eisen ze dienen te voldoen en waar we op moeten letten bij het ontwerpen ervan.
In 1991 beschreef Mark Weiser zijn visie op ubiquitous computing in het boek ’The computer for the 21st century‘. Volgens hem naderen we het tijdperk waarin computertechnologie overal om ons heen is, maar tegelijkertijd ook ’opgaat in de achtergrond van ons leven‘. Deze alomtegenwoordigheid brengt een aantal wetenschappelijke uitdagingen met zich mee om de connectiviteit en de complexiteit van de embedded systemen in de hand te houden. Onderzoekers en ontwikkelaars zullen er nog een hele kluif aan hebben om de technologie ook daadwerkelijk naar de achtergrond te laten verdwijnen.
Belangrijke drijfveer voor ubiquitous computing is de komst van goedkope sensoren die de omgeving peilen. Minstens zo cruciaal is de beschikbaarheid van draadloze technologieën. Deze vormen de essentiële koppeling tussen de computers en de sensoren: tot tien meter met kortegolfradio (IEEE 802.15), tot honderd meter in WLans (802.11), in metropolische netwerken via cellulaire radio (3G) en vaste draadloze toegang (Wimax, 802.16) of op nog grotere schaal met aardse uitzendingen (DVB-T), satellieten en stratosferische ballonnen (High Altitude Platforms, HAP‘s).
