Een nieuwe trend is groeiende op het gebied van satelliettechnologie. Naarmate de kennis over het heelal voortschrijdt, willen wetenschappers steeds verder, scherper en nauwkeuriger kunnen kijken. Dat vraagt om grotere instrumenten die buiten de verstorende aardatmosfeer hun metingen doen. Zo groot, dat ze niet allemaal meer met een enkele raket zijn te lanceren. De oplossing is om de instrumenten uit te smeren over meerdere, in formatie vliegende satellieten.
Esa heeft onder meer Darwin en Xeus op het programma staan als missies die dit principe gebruiken. Xeus betreft een röntgenspectrometer in twee delen, een detector en een spiegel, die op vijftig meter afstand van elkaar moeten gaan vliegen. Darwin is nog ambitieuzer. Dat gebruikt een half dozijn detectorsatellieten rondom een centrale kunstmaan om met optische interferometrie op zoek te gaan naar planeten rondom de duizend dichtstbijzijnde sterren. De missies staan gepland voor respectievelijk 2017 en 2018. Ook Nasa bestudeert het concept. In 2019 willen de Amerikanen de Terrestial Planet Finder-missie lanceren, vergelijkbaar met Darwin.
Dat formatievliegen moeten de satellietbouwers nog wel in de vingers krijgen. Proefmissies moeten daar meer inzicht in verschaffen. In 2009 wil de Swedish Space Corporation zijn uit twee kunstmanen bestaande Prisma-missie lanceren. Ondertussen denkt het bedrijf ook al na over de opvolger daarvan, de Proba 3. Die zal eveneens uit twee satellieten bestaan, waarvan het Vlaamse Verhaert Space er een gaat leveren.