De gedistribueerde radiotelescoop Lofar blijkt in staat te zijn hoogenergetische deeltjes te detecteren die met bijna de lichtsnelheid door het heelal zoeven. Dat schrijft een team van voornamelijk Nederlandse en Belgische onderzoekers in Nature. Tot hun verrassing ontdekten zij dat bronnen van deze deeltjes zich veel dichter bij de aarde moeten bevinden dan gedacht. Het werk is volgens hen echter niet alleen interessant voor de sterrenkunde, maar ook voor de deeltjesfysica; dit soort kosmische bronnen zijn miljoenen keren sterker dan de Large Hadron Collider-deeltjesversneller (LHC).
Lofar is een gedistribueerde radiotelescoop met een slordige twintigduizend antennes verspreid over Nederland, Duitsland, Frankrijk, Polen, Groot-Brittannië, Ierland en Zweden. Door de antennesignalen met elkaar te correleren, zijn radiobronnen in het heelal in hoge resolutie te bestuderen.
De onderzoekers bedachten dat Lofar via een omweg echter ook de hoogenergetische deeltjes moet kunnen detecteren. Wanneer deze deeltjes namelijk inslaan op de aardatmosfeer spatten ze uiteen in een douche van talloze kleinere deeltjes. Door wisselwerking met het magnetische veld van de aarde ontstaat vervolgens een zeer felle maar ook zeer korte radioflits, van enkele miljardste van een seconde.

