Als Nedcar straks de deuren sluit, is dat weer een klap voor de Nederlandse maakindustrie, die ook een flink aantal toeleveranciers zal raken. Maar de doodsteek voor de industrie? Onzin, klinkklare onzin. Vergeet niet dat de industrie meer dan de helft van de export uit Nederland voor haar rekening neemt, en dat die export harder groeit – met een gemiddelde van 7,5 procent per jaar – dan de export van bijvoorbeeld diensten. Zolang de economie in de Bric-landen als een raket blijft stijgen, is er meer dan voldoende ruimte voor extra exportgroei. En tot slot: van de drie hoofdbranches in de industrie, voeding, chemie en maakindustrie, is de laatste tegenwoordig de grootste, blijkt uit een rapport van ING.
Natuurlijk, elk bedrijf dat omvalt of vertrekt, is er een te veel, maar Nederland industrieland kan dus echt wel wat hebben. Blijft dat zo? Is de maakindustrie niet ten dode opgeschreven, met de concurrentie in het verre, nabije en directe oosten? Als we niets doen, dan wel. Een beetje prutsen in de marge zal ook niet helpen: we moeten naar een totaal andere opbouw van de industrie – want een totaal andere opbouw van producten. En geloof het of niet: juist in Nederland ligt alles klaar om dat te gaan doen.
Frezen, zagen, boren, beitelen, afsnijden, etsen, branden: de huidige industrie breekt haast meer af dan het opbouwt. Dit werk werd als eerste verplaatst naar het buitenland en is nu het eerste waar we helemaal mee moeten ophouden. Gewoon: niet meer doen, ook niet in het buitenland. Al dat breken is niet alleen zonde van de (soms schaarse) materialen en van de energie die er in is gestoken om ze te maken, het is vooral onhandig, want je kunt lang niet alles maken zoals je dat zou willen. De vormvrijheid is beperkt tot wat je met een frees, boor of beitel kunt bereiken – zowel fysiek als qua precisie.