Bij Imec en het Holst Centre gebruiken we 180-nanometertechnologie voor de gezondheidssensoren die we ontwikkelen. Dat komt onder meer doordat we voor sensoren analoge ic’s nodig hebben, omdat onze metingen (temperatuur, hartslag, bloeddruk, enzovoorts) analoge parameters zijn. Typisch ligt bij de ontwikkeling van nieuwe chiptechnologieën de nadruk op het digitale en rf-domein en volgen de analoge modellen en bouwblokken pas in een later stadium. De 180-nanometertechnologie is momenteel een uitstekende technologie voor draagbare sensoren wegens de goede mix van betrouwbaarheid, kost en performance.
Toch hebben ook draagbare sensoren baat bij meer geavanceerde technologieën. Met 180-nanometertechnologie maken we chips van bijna dertig vierkante millimeter, maar als we naar kleinere systemen willen gaan met meer functionaliteit hebben we meer geavanceerde technologieën nodig. Zo bekijken we momenteel schaalbare analoge circuitarchitecturen op 40 nanometer. Kleinere chips hebben een prijsvoordeel en verhogen de toepasbaarheid. Denk bijvoorbeeld aan chips van vijf vierkante millimeter of kleiner om wegwerp-sensorpleisters mee te maken, of om overal in onze omgeving te integreren.
Een andere reden om meer geavanceerde chiptechnologieën te willen, heeft te maken met het feit dat gezondheidssensoren veel data produceren. Om daaruit we bruikbare conclusies te trekken, is voor de dataverwerking geavanceerde technologie essentieel. In de sensoren zelf gebeurt slechts een beperkte processing. Die is er enkel op gericht om de relevante data uit de metingen te halen en deze door te sturen. Een tweede niveau van dataverwerking vindt plaats in een toestel dat je bij je draagt, zoals een smartphone of smartwatch. Ten slotte gaan de data naar het laatste niveau, de cloud.

