In de toekomst zitten bruggen en vliegtuigrompen vol sensoren die de stevigheid van de constructie in de gaten houden. Maar hoe komen die aan hun energie? Het Holst Centre onderzoekt hoe stroom uit beweging en warmteverschillen kan worden opgewekt.
De mensheid weet al eeuwen energie uit haar omgeving te onttrekken en deze te gebruiken voor praktische doeleinden. Denk maar aan de zeilboot, de windmolen of het schoepenrad. In deze voorbeelden is de energie relatief makkelijk te ’oogsten‘: de ene beweging wordt omgezet in de andere. Na de ingebruikname van elektriciteit als energiebron en -drager, kwamen ook niet-mechanische energiebronnen in beeld, zoals zonnestralen en warmtegradiënten. Van grootschalig gebruik van de omgeving is het echter nooit gekomen. Energie bleek immers op verschillende plekken ter wereld kant-en-klaar in de grond te zitten.
Nu de grenzen van de olievoorraden in zicht zijn, begint de mensheid haar periferie als energiebron te herontdekken. De verwachtingen zijn hooggespannen voor de zonnecelindustrie, maar ook wind- en waterkracht zouden wel eens aan een tweede leven kunnen beginnen. Parallel hieraan tekenen zich in de embedded-wereld de contouren af van een tweede, vergelijkbare revolutie. Steeds meer mensen vinden dat een keur van apparaatjes autonoom moeten kunnen functioneren, dat wil zeggen zonder ooit bij een stopcontact in de buurt te hoeven komen. Er is daarom geen andere mogelijkheid dan beweging, licht of warmte in de omgeving uit te buiten.


