Organische zonnecellen worden stapje voor stapje beter, maar waarschijnlijk moeten er metallische structuren aan te pas komen om hun volledige potentie te realiseren.
Makers van organische zonnecellen staan voor een dilemma. Enerzijds willen ze een zo dun mogelijke actieve laag (1 tot 10 nanometer), zodat excitonen de grootst mogelijke kans hebben het grensvlak van elektrondonor en -acceptor te bereiken, waar zij uiteenvallen in elektronen en gaten. Anderzijds willen ze een voldoende dikke laag (30 tot 100 nanometer), zodat de maximale hoeveelheid licht wordt geabsorbeerd.
Dit onbevredigende compromis smeekt om een oplossing. Op eigen kracht hebben enkellaags organische zonnecellen in het laboratorium de kaap van tien procent rendement gerond – het niveau waarop concurrentie met anorganische cellen mogelijk wordt verondersteld. OPV zal echter pas haar ware potentie realiseren als er tegenwicht kan worden geboden aan de botsende eisen die maximale benutting van excitonen en maximale lichtabsorptie stellen.

