In mijn vorige column schreef ik over het Nederlandse maaiveldsyndroom. We zijn geen land voor grootse en meeslepende ontwikkelingen en de doorsnee en middelmaat maken ons kwetsbaar in een globale markt. Je moet verdomde goed in je schoenen staan om nog te scoren. Juist bij Philips heb ik wat dat betreft een slecht gevoel. Met interesse kijk ik al sinds mijn jeugd naar Philips als een bedrijf waarop ik graag trots wil zijn. Vaak vond ik dat moeilijk.
Mijn verleden en toekomst zijn gekoppeld aan alomtegenwoordige computers. Het begon met een Motorola 6800-kitje en met het handje assembleren tot hexadecimale code. Daarna heb ik de introductie van de enige echte IBM-pc meegemaakt. Wie weet nog het hele gedoe rond verschillende grafische standaarden zoals Hercules, CGA en later EGA. NEC bracht al vlug multistandaardmonitoren en werd min of meer de referentiestandaard. Philips liet deze trend helemaal versloffen en kwam jaren later met pc-monitoren die er ook nog eens goedkoop en slecht uitzagen. Het kwam ook pas heel laat met optische randapparatuur voor pc‘s. Too little, too late.
Ik zag en zie Philips soms heel laat op markten instappen. Ik snap die strategie niet. Het betekent dat je heel hard moet trekken om nog winst te maken. Kijk maar eens naar Philips‘ instap in mobieltjes. Veel te laat om nog iets te kunnen betekenen. Het heeft miljarden gekost. Of neem Trimedia. Ik heb mijn baas toentertijd flink aan zijn hoofd gezeurd om eens te bekijken of we er iets mee konden. Na zijn goedkeuring belde ik met Philips. Ik kon zo‘n ding alleen in een ontwikkelpakket van duizenden guldens kopen. Einde idee bij mezelf en mijn baas. Blijkbaar wilden ze niet dat er softwareoplossingen voor Trimedia zouden worden ontwikkeld. En zo kan ik nog zeker tien voorbeelden geven.
