Het regent en dus ga ik met de auto naar ’s lands slimste vierkante kilometer, zoals de High Tech Campus in Eindhoven zich noemt. Mijn navigatiesysteem laat mij onder de autoweg door rijden, omdraaien, vijftig meter terugrijden en dan links afslaan. Dat lijkt mij niet zo slim, want je kunt ook meteen rechtsaf. Telkens weer hoop ik dat Tommie, zoals ik hem liefkozend noem, ooit zal leren dat die afslag echt bestaat. Maar helaas, zo slim is de software niet.
Ook elders wil Tommie niets leren. Dan vindt hij dat ik links af moet slaan, dan naar rechts, langs de Dommel en wederom links. Dat kan, maar ik ga consequent rechtdoor en sla een kruispunt verder links af, zodat ik twee afslagen en een smal straatje minder heb. Wellicht een paar meter om, maar veel slimmer. Tommie leert het alleen nooit.
Zomaar twee kleine voorbeelden van hoe software iets kan leren. Hoe moeilijk kan het zijn, vraagt de software-ingenieur in mij zich af, om dit soort ‘slimmigheidjes’ te programmeren? Zeker die eerste fout lijkt gemakkelijk te verhelpen. Conceptueel moet er, nadat ik tig keer dezelfde ‘niet bestaande’ afslag neem, ergens een nul-bitje een één worden. Dit werkt niet bij het tweede voorbeeld. Daar zijn de afslagen correct, maar wil ik iets anders. Om dat te leren, is een enkel bitje niet genoeg; het is iets ertussenin: meestal rechtuit maar bij verkeersdrukte links. We kunnen dat modelleren door het smalle weggetje ietsje langer te maken.
