Met de opkomst van elektronische informatie en displays lijkt de printer zijn langste tijd te hebben gehad. Niets is minder waar: sommige digitale-printsegmenten groeien zelfs vijftien procent per jaar en de entree van industrieel en 3D printen opent geheel nieuwe mogelijkheden. Onder de veilige vleugels van het Japanse Canon blijft Océ vooroplopen in innovatie. Vijf voorbeelden.
In april 1857 opent Lodewijk van der Grinten een apotheek in zijn geboortestad Venlo. Acht jaar later patenteert hij zijn recept voor een boterkleurmiddel, waarna hij zich met zijn bedrijf toelegt op de productie daarvan. Als er in de Eerste Wereldoorlog een tekort aan grondstoffen ontstaat, verschuift kleinzoon Louis de focus naar andere pigmenten, met name naar blauwdrukpapier om lijntekeningen over te trekken. In 1927 breidt hij het assortiment uit met een variant voor het maken van kopieën, waarvoor hij een eigen coating uitvindt die geen ammoniakcomponent nodig heeft bij de ontwikkeling. Dit proces brengt hij in 1930 op de markt onder de naam ‘Océ’, als afkorting van het Duitse ‘Ohne Componente’.
Halverwege de jaren dertig stort Van der Grinten zich ook op de bijbehorende kopieermachines. Waar die eerst bestonden uit twee apparaten, een voor de belichting en een voor de ontwikkeling, voegt de Venlonaar die samen in één systeem dat hij Combine doopt. De twee decennia daarna krijgt de machinebouw langzaam de overhand en na de afsplitsing van het chemische laboratorium in 1957 wordt dat de hoofdactiviteit. Begin zeventiger jaren besluit het bedrijf, dat zijn naam inmiddels heeft veranderd in Océ-Van der Grinten, zich te richten op afdrukken op gewoon, ongecoat papier en de bijbehorende kantoorapparatuur. De toner- en transfuse-technologie die het daarvoor in eigen huis ontwikkelt, gebruikt het tot op de dag van vandaag, aangevuld met een scala aan nieuwe afdruktechnologieën zoals inkjet.


