Bij ASML in Veldhoven keken twee researchers met frisse blik naar de test- en integratiefase. Ze kwamen erachter dat de machinefabrikant mogelijk weken winst kan behalen op de totale doorlooptijd van zijn waferscanners. Dat is kassa voor ASML, maar ook voor zijn klanten. Een nieuwe teststrategie brengt in Veldhoven mogelijk een kleine revolutie teweeg. Iedere doorgewinterde software-ingenieur heeft er zijn eigen horrorverhalen over: het moment waarop de code perfect voor mekaar lijkt, maar de machine toch geen krimp geeft. Of dat het systeem na een bloedig integratietraject van een jaar de vereiste prestaties niet haalt.
Systeemingenieurs krijgen er geheid mee te maken. Met bloed, zweet en tranen schroeven ze hun machines in elkaar, maar op het einde blijft er iets rammelen. Onverwachte problemen steken de kop op. Altijd maar die stress van de deadline. Het werkt vaak wel, maar het duurt eeuwen voordat alles perfect draait. Om maar niet te spreken van al die noodoplossingen die de softwareploeg er in een paar dagen tijd moet uitwringen.
Of hij nu bij ASML of Thales werkt, iedere technicus herkent test en integratie als een onbestuurbaar, onbegrepen fenomeen. Wat doen ze verkeerd? Tammo van den Berg, hoofd softwareontwikkeling bij ASML, zei twee jaar geleden in Bits&Chips dat hij geen zin had om een complex CMM-traject (Capability Maturity Model) in te voeren. ’Het is zeer kostbaar, je moet jaren investeren en het is de vraag of het helpt.‘ Van den Berg, nooit te beroerd om tegen heilige huisjes te trappen, vond destijds ook dat de academische wereld nog weinig openstond voor de problemen van machinebouwers als ASML. ’Wetenschappers vonden altijd dat er geen academisch vlees aan zat. Het was een kwestie van beheer. Als wij ons werk maar goed deden, dan zou het allemaal wel in orde komen. Leuk gezegd, maar daarmee loste ik mijn probleem niet op.‘

