Als u, zoals ikzelf, werkt aan onderzoek en ontwikkeling van intelligente systemen, ofwel smart systems, dan weet u dat we midden in de internet of things-golf zitten. Na de exponentiële groei van mobiele communicatie en nu u ook uw tablet overal mee naartoe neemt, zijn we bezig nog meer dingen op het internet aan te sluiten: van kleine sensoren, via koelkasten, tot grote productiemachines. In 2000 waren slechts tweehonderd miljoen apparaten aangesloten op het internet, vandaag de dag zijn dat er al zo’n tien miljard, en tegen 2020 moet 5G minimaal honderd miljard devices aankunnen, met snelheden tot tien gigabit per seconde en extreem snelle respons waar nodig.
Om de grote variëteit aan vereisten te realiseren, zullen er zeer veel verschillende draadloze netwerken zijn, elk met hun eigen karakteristieken. Het internet of everything (IOE) gaat eruit zien als een grote heterogene kluwen van kleinere smart systems, met elk hun eigen (draadloze) netwerk en hun eigen apparaten en sensoren, rondom je huis, jezelf, je auto. De meeste van deze systemen worden op dit moment nog min of meer op een eiland ontwikkeld: ieder bouwt zijn eigen systeem met zijn eigen fysieke netwerkstandaard en bijbehorende apparaten en ergens komt dit samen in de cloud.
Natuurlijk ontstaan er veel nieuwe mogelijkheden als een smart system kan bridgen en forwarden met sensoren uit een ander systeem, bijvoorbeeld als sensoren uit je persoonlijke netwerk, die bijvoorbeeld je fysieke gesteldheid meten, hun data uitwisselen met je huisnetwerk en op die manier de temperatuur en de ventilatie in je huis aanpassen aan je behoefte. Maar op dit moment zijn die netwerken fysiek nog vaak gescheiden en via bridges met elkaar communiceren is soms te traag.

