Het wordt vaak herhaald: dat Nederland te weinig uitgeeft aan onderzoek. Maar ook: dat ‘we’ verbazend veel weten te halen uit dat bescheiden budget. Recente cijfers van de Oeso stroken met dit beeld.
1. R&d-intensiteit van Nederland, in procent van bbp
De cijfers lijken aan te tonen dat het Nederlandse bedrijfsleven na de crisis fors meer is gaan investeren in r&d, maar dat is niet het geval. In 2011 en 2012 is de definitie van r&d namelijk verruimd. Daarna hebben de r&d-uitgaven grosso modo gelijke pas gehouden met het bbp. Het totaal is niet slechts een optelsom van de bijdrage van bedrijven en overheid: ook bijvoorbeeld r&d-activiteiten die vanuit het buitenland worden gefinancierd, zijn hierin meegenomen – met ongeveer twaalf procent in 2015 is dat voor Nederland vrij hoog. Het aandeel van het Nederlandse bedrijfsleven in het totaal (ongeveer de helft) is in internationale context vrij laag (het Oeso-gemiddelde is ruim zestig procent).
2. R&d-intensiteit van Nederland vergeleken met de wereld, in procent van bbp
Met een r&d-intensiteit van 2,01 procent in 2015 komt Nederland maar net boven het gemiddelde van de Europese Unie uit (1,95 procent). Het gemiddelde van alle Oeso-landen ligt met 2,40 procent nog hoger. Van een inhaalrace is in 2005 – 2015 geen sprake: de r&d-intensiteit van zowel Nederland als de Oeso-landen steeg met ongeveer twaalf procent, die van de EU met ruim zeventien procent.

