Onder de codenaam ’Oslo‘ sleutelt Microsoft aan een eigen platform voor modelgebaseerde ontwikkeling. Afgelopen april presenteerde programmamanager Chris Sells het raamwerk in aanbouw voor een uitpuilende zaal tijdens de Hot-or-Not-lezingencyclus van Sioux. De ruim honderdtwintig toehoorders, voor het overgrote deel ontwikkelaars uit de Nederlandse hightech, bestempelden de Redmondse aanpak vrijwel unaniem (98 procent) als veelbelovend. De concurrentie in de modellenwereld is gewaarschuwd.
’Een van de belangrijkste trends in applicatieontwikkeling is modelleren, en wij investeren daar fors in‘, zei Bill Gates vorig jaar juni in zijn keynote op de Microsoft TechEd Developers-conferentie. ’Wij hebben een modelgedreven ontwikkelplatform, dat we de codenaam ’Oslo‘ hebben gegeven. In specifieke domeinen als dataontwerp in SQL, proces-activiteiten in Biztalk of softwaremanagement in System Center zien we modellen opkomen. Al die domeinen zouden we willen onderbrengen in een en dezelfde modelruimte. Daarmee hoeven mensen hun eigen domeinen niet langer in isolatie te ontwikkelen. Dat is waar het bij Oslo om gaat.‘
Hoofdelementen van het Oslo-platform zijn een modelleertaal, codenaam ’M‘, een opslagplaats voor de modellen, de Repository, en de visualisatietool Quadrant. Het bouwproces begint bij de ontwikkelaar, die M gebruikt om een domeinspecifieke taal (domain-specific language, DSL) te maken voor het beoogde toepassingsgebied. Vervolgens modelleert de domeinexpert met deze DSL de gewenste applicatie. De modellen die dit oplevert, bewaart Oslo in de Repository, op dit moment een SQL Server-database. Ten slotte is het weer de beurt aan de ontwikkelaar om de runtime te bouwen. Deze runtime is niks anders dan een programma dat uit de database leest. In Quadrant zijn visuele DSL‘s te ontwerpen.

