Bij mijn recente bezoek aan Dutch Space in Leiden is er een wereld voor me opengegaan. Een wereld van uitersten, niet alleen vanwege de extreme omstandigheden waarmee de ontwikkelde systemen te maken hebben in de ruimte, maar ook vanwege de hoge eisen waaraan ze – mede daardoor – moeten voldoen. Deze uitersten maken dat de ontwikkeling in de ruimtevaart anders van karakter is en andere accenten legt dan ik gewend was uit de ’aardse‘ hightech.
In de ruimte moet alles meteen werken. Waar je een softwarebug nog op afstand kunt fixen, is een hardwareprobleem daarboven echt een probleem. Je kunt niet even een service-engineer langssturen om een niet uitgeklapt zonnepaneel te repareren. Redundantie is daarom heel belangrijk: alle paneelscharnieren zijn bijvoorbeeld uitgerust met twee veren en ook het uitklapmechanisme is dubbel uitgevoerd. Bovendien is eenvoud troef, want hoe hoger de technische hoogstandjes, hoe groter de kans dat er iets misgaat. Vandaar geen motortjes die de zonnecollectoren uitklappen, maar gewoon een touwtje dat wordt doorgebrand, waarna de panelen open ’veren‘.
Om er zeker van te zijn dat alles meteen werkt, ondergaan de systemen uiteraard uitgebreide tests. Proefdraaien in de ruimte is geen optie, dus dat gebeurt op aarde, onder heel nauwkeurig nagebootste omstandigheden. Zo heeft Dutch Space in zijn cleanroom speciale kamers waarin onderdelen en zelfs hele satellieten zijn bloot te stellen aan temperaturen van min honderdtachtig tot plus tweehonderd graden. Ook staat er een enorme lamp waarmee de stralingskracht van de zon is te benaderen om zo de opbrengst van zonnepanelen in een baan om de aarde te testen. Als die lamp aangaat, is het wegwezen geblazen.

