Consumentenapparaten worden steeds vaker verbonden met het internet om er diensten op te leveren en big-data-analyses op los te laten. Technisch is die stap niet zo groot, maar de trend heeft ingrijpende gevolgen voor het gebruik, de manier van ontwikkelen en de relatie met de consument, zegt Alberto Prado. Hij heeft sinds drie jaar leiding over Philips’ digital innovation-programma, dat deze overgang moet bewerkstelligen.
En ineens was de term daar: internet of things. Hoewel de precieze betekenis sterk afhangt van wie je het vraagt, is een van de varianten dat elektronicafabrikanten hun consumentenapparatuur, die tot nu toe op zichzelf stond, ineens voorzien met verbindingen naar apps en clouds. En iedereen lijkt plots bevangen door die iot-koorts: tv’s, wasmachines, koelkasten, fabrikanten werken plotseling in koortsachtige tempo om ze allemaal ‘slim’ en verbonden met het internet te maken. In de pers lezen we dat dit hip is, maar dat het daadwerkelijke nut nogal vaag is.
Neem bijvoorbeeld de recente aankondigingen van Philips op de Ifa in Berlijn. Het lanceerde hier een luchtfilter en een koffiezetapparaat die allebei connected zijn. Lekker nuttig allemaal, is de eerste reflex: kun je via je telefoon op kantoor de luchtkwaliteit thuis regelen. Of via je tablet een kopje koffie zetten, nádat je naar het apparaat bent gelopen om er een beker onder te zetten.
