Ik groeide op in Putten op de Veluwe. Wij woonden aan de rand van een groot donker bos waar je eenvoudig kon verdwalen. Om als kind de Hans-en-Grietje-angst te overwinnen, zat er niets anders op dan in het bos heel goed op te letten. Ik leerde allerlei oriëntatiepunten te onthouden en te herkennen. Met relatief vage informatie kon ik de (terug)weg vinden. Het vergde een zekere alertheid en het in de achtergrond verwerken van allerlei informatie, maar toen ik dat eenmaal onder de knie had, werd het leuk om nieuwe wegen in het bos te vinden.
Nog altijd kijk ik met interesse om mij heen, neem mijn omgeving op, bouw een soort mentale landkaart op en weet later precies hoe ik terug moet rijden. Dit doe ik ook met nieuwe technologieën. Ik probeer te begrijpen hoe een technologie is ontstaan en of die gerelateerd is aan andere kennis die ik al heb. De kunst is om uit nieuwe informatie, hoe vaag ook, patroontjes te herkennen om steeds de grote lijn te vinden. Het lijkt alsof je op details let, maar dat is het niet. Je let alleen op de details die helpen met het vinden van de grote lijn, de rest vergeet je.
Als je software programmeert, zit je op een detailniveau. Dan telt iedere letter die je intypt. Als je een systeemontwerp moet maken, dan moet je het overzicht kunnen bevatten. Je moet uit alle gegevens de juiste informatie halen die nodig is voor het ontwerp.