Philips produceerde toponderzoek in de organische elektronica, maar wist daar slechts beperkt munt uit te slaan – al staat er nog een potje op het vuur.
Toen in 1990 de eerste publicatie verscheen over een lichtemitterende diode op basis van een polymeer (Pled), was het Natlab er helemaal klaar voor deze innovatie te absorberen. Sinds zo ongeveer de geboorte van organische elektronica in 1977 had het lab verkennend onderzoek in het vakgebied verricht, maar pas eind jaren tachtig werd de kwaliteit van de beschikbare materialen goed genoeg bevonden om er meer werk van te maken. Er kwam een apart cluster voor organische elektronica, handig ingebed tussen ander onderzoek naar organische materialen, waaronder zich enkele van Philips’ cashcows bevonden (zoals coating voor cd’s). Zo zou het niet zo snel opvallen als onrendabel – het waren moeilijke tijden voor het bedrijf.
Want dat er nog de nodige ontwikkeling gedaan moest worden, was wel duidelijk. ‘Maar het leek ons echt iets wat heel groot zou kunnen worden’, herinnert voormalig Natlab-fellow en gelauwerd organische-elektronicaonderzoeker Dago de Leeuw zich. Dat was helemaal het geval toen Cambridge University over de Pled publiceerde: omdat veel polymeren oplosbaar zijn, kunnen ze met printtechnieken worden verwerkt. De materialen die tot dan toe waren gebruikt – relatief kleine organische moleculen – moeten met vacuümtechnieken worden gedeponeerd.

