Bijna iedere dag heb ik het twijfelachtige genoegen om met Veolia naar Nijmegen te reizen. Op de dienstregeling is niks aan te merken, maar het vervoersbedrijf doet er alles aan reizigers bijna pavloviaans negatief te conditioneren in hun houding jegens het ov. In plaats van vier stoelen heeft het vijf plekken naast elkaar weten te persen. Desondanks is het vaak staan geblazen in de spits – Nijmegen is tenslotte een universiteitsstad. Met een wat gezettere buurmens dwingt Veolia je zelfs tot iets te veel ongewilde intimiteit.
Tijdens de reis probeer ik me af te sluiten van de conversaties die de vele studenten in de trein hebben, maar als een van de vele sardientjes in een blik is dat onbegonnen werk. ’Morgen drie uur college achter elkaar, dat trek ik nie‘, ’Moet ik voor één uur op en neer, dat doe ik ech nie‘, ’Dat is godsamme saai, de leraar snapt het nie en ik kijk thuis wel‘. Niks is leuk, het mag allemaal geen moeite kosten en het ligt altijd aan iemand anders: aan de docent, de stagebegeleider, de bureaucratie of zelfs Veolia. Nooit hoor ik eens een mooi verhaal over hoe spannend een college was, hoe inspirerend de ’Metamorfosen‘ van Ovidius is, hoe ontroerend ’Die Leiden des jungen Werthers‘ is of hoe schitterend de vergelijkingen van Maxwell zijn.
Ik heb wel eens college gegeven aan zo‘n zaal vol studenten. Zitten ze daar: helemaal achterin, laptop open zodat ze kunnen internetten, downloaden, facebooken, e-mailen of whatever. Vraag je om de klapdoos even dicht te doen, gaat er een zucht van ongeïnteresseerde verveling door de rijen van de ongelukkige, educatie ontvangende muurbloempjes. En midden in mijn verhaal gaat de laptop gewoon weer open. Toen ik er iets van zei, kwam ik ook nog eens in een onzalige discussie terecht. Basta, wegwezen, is dan mijn korte antwoord.
